Vrouwenkledij

Kenmerkend voor de vrouwenstreekdrachten waren de kleurenpracht en de enorme verscheidenheid aan hoofddeksels. Vrouwen combineerden verschillende kleuren, bedrukte, effen en gestreepte stoffen tot een bont geheel. Een volledige kledij bestond uit onderkleren (blouse, onderbroek, kousen en onderrok), bovenkleren (jak, brede rokken, lange schort), schoenen of klompen, een hoofddeksel, een grote sjaal, een moederkestès en een kapmantel.

In de winter droegen ze een zware laken kapmantel en meerdere blouses en rokken boveneen, in de zomer lieten een rok en de sjaal uit. De zomerkapmantel was gemaakt in licht katoen.

De verschillende onderdelen van de vrouwenkledij:

1.       De schoenen

2.       De kousen

3.       De onderbroek

4.       De onderrok

5.       De blouse

6.       De jak

7.       De rokken

8.       De schort

9.       De kapmantels

10.   De hoofddeksels

11.   Accessoires


Jak

Geplaatst 25 feb. 2011 17:14 door Beesjes Beesjes   [ 27 jan. 2013 11:28 bijgewerkt ]

De jak is een getailleerd, fijn afgewerkt en volledig gevoerd bovenstuk tot in de lenden of in de taille, vooraan gesloten met veter, haak- en oog, blinde of gewone knoopsluiting. Hij had een ronde hals of boothals ( geen rechte hoeken of V hals). Aan de jak werden schootpanden (aanzetstuk) genaaid ( van 10-50cm), waaronder meestal de schort werd gebonden. Dit aanzetstuk was al dan niet gefronst, geplooid en gevoerd en kwam niet noodzakelijk over de hele breedte ( vb niet op de buik). De schoorpanden werden soms in verschillende niveaus gemaakt ( vb korte panden vooraan en langere achteraan). Op de schouders van de jak kwamen soms verstevigingstukken die met kleine plooitjes werden afgewerkt (zie kiel). De afwerking van de mouwen was zeer verscheiden. Soms had de jak geen mouwen en dan kwam de mooi afgewerkte blouse met langere mouwen eronderuit, soms had hij aansluitende of gepofte korte of driekwartsmouwen en soms lange, brede of smalle,mouwen, al dan niet gepoft. Lange mouwen versmalden meestal aan de polsen. De jak had meestal een opvallende kleur en was vervaardigd uit stevig katoen, linnen of wol, uitzonderlijk uit zijde, dikwijls bedrukt. De jak had meestal een sluitlint aan de binnenzijde in de lende of in de taille om de jak op zijn plaats te houden. 
  • De jak is verplicht 
  • De jak moet getailleerd zijn en volledig gevoerd 
  • Alleen dikke stijve meubileringstof hoeft niet gevoerd te worden ( eerst voorleggen aan WG kledij) 
  • Mouwen hoeven ook niet gevoerd te worden 
  • Schootpanden verplicht 
  • Lengte en afwerking van de schootpanden : vrij zie voorbeelden 
  • Kleur (effen of bedrukt) vrij. Geen ruiten. 
  • Sluiting en de afwerking van de mouwen: vrij 
  • Stof: katoen of linnen( eventueel wol of zijde) 
  • Vetersluiting: enkel met oogjes, geen haakjes. De blouse mag niet zichtbaar zijn onder de veters. 
  • Een taillelint is aangeraden om tijdens het dansen de jak op zijn plaats te houden. 
  • Een jak moet aanpassend zijn 
  • De jak moet de typische 19de eeuwse achtergeschoven schoudernaad hebben.

Onderrok

Geplaatst 25 feb. 2011 17:14 door Beesjes Beesjes   [ 27 jan. 2013 11:18 bijgewerkt ]

De onderrok werd in ongebleekt katoen of in een tamelijk felle kleur (dikwijls rood) gemaakt, zelfs gestreept of geruit. Wie het zich kon permitteren werkte haar onderrok met stukjes kant af. 

Om de onderrokken te verbreden, gebruikte men dubbele stof of naaide men brede banden aan de rok zo’n 20-30 cm boven de zoom. Hetzelfde effect werd bekomen door meerdere onderrokken boven elkaar te dragen. 

De onderrok was niet zichtbaar en kwam dus niet onder de rokken uit. 

De onderrok kan ook uit verschillende banden bestaan die steeds een grotere omtrek hebben en eindigen met een band van minstens 360 cm omtrek. 

  • De onderrok is verplicht
  • De onderrok wordt breed gemaakt, minstens 360 cm omtrek aan de zoom
  • De onderrok mag in 2 of 3 banden worden gemaakt met minstens 360 cm omtrek aan de zoom
  • Aan de heupen gefronst of met plooien. Indien je de rok met plooien afwerkt: vooraan op de buik een plat stuk van minimaal 10 cm zonder plooien. De plooien worden naar achteren toe gelegd. 
  • Kleur en afwerking vrij [zie Kleuren]
  • Stof: katoen [zie Stoffen]

Schoenen

Geplaatst 25 feb. 2011 17:10 door Beesjes Beesjes   [ 27 jan. 2013 10:46 bijgewerkt ]

In de negentiende eeuw droegen de vrouwen lage effen leren schoenen (zwart of donkerbruin) die werden gesloten met nestels of gespen. Naast de gesloten schoenen waren er lage bottines of enkellaarsjes. Door de week droeg men dikwijls klompen, ’s zondags leren schoenen. In de eerste helft van de 19de eeuw hadden schoenen nog geen pasvorm, linker en rechterschoen waren gelijk. Pas later in de 19de eeuw werden de schoenen aan de voet aangepast. De hak deed z'n intrede (tot maximaal 4 cm). Enkellaarsjes hadden een zijsluiting met veters of knoopjes of werden vooraan gesloten door een vetersluiting (rijglaarzen).
  • Kies een comfortabele lage effen leren schoen of bottine/enkellaars met veters of gespen, zonder versieringen of sierstiksels 
  • Kleur: zwart, (donker-)bruin of grijs
  • Geen daim of nubuck
  • Geen velcro of rek toegelaten (ook al is die onzichtbaar)
  • De schoenen moeten een duidelijke hak hebben (dus geen platte schoenen met doorlopende zolen)
  • De schoenen moeten een dunne en soepele zool hebben.

Rokken

Geplaatst 7 jan. 2010 14:08 door Beesjes Beesjes   [ 27 jan. 2013 11:29 bijgewerkt ]

In de 19de eeuw droegen de vrouwen verschillende  brede rokken boven mekaar. De rokken kwamen tot op de enkel. Dikwijls werd de bovenste rok opgespeld zodat je de onderliggende rok zag. De rokken waren in soepel katoen, lichte wol of soepel linnen en werden met veel plooien afgewerkt. Op de buik was er een plat stuk ( geen plooien of fronsen) en de plooien of fronsen liepen van vooraan naar achteraan en kwamen samen in het midden van de rug. De rok had een knoops- of haak- en oogsluiting.

Twee rokken zijn verplicht

Plat stuk verplicht, min 10 cm

Je kan kiezen: twee lange rokken met dezelfde lengte boven mekaar, waarvan één opgespeld wordt, of twee rokken met verschillende lengte waarvan de kortere bovenop gedragen wordt en kan opgespeld worden. Met twee verschillende lengtes kan je de rokken niet verwisselen.

Wie brede heupen heeft en een smalle taille, mag de onderste rok voorzien zijn van een doorlopend platte band van max 20 cm, waaronder de plooien beginnen.  Deze rok mag ook nooit bovenop gedragen worden. De plooien mogen (on)gelijk zijn, grootte vrij. Mensen met smalle heupen of met weinig verschil tss heupen en taille raden we aan om kleine plooien te gebruiken.

  • De rokken worden breed gemaakt (min 450cm) Bij stoffen van 140-150 cm breedte gebruik je drie breedtes, bij stoffen van 110-120 cm breedte, gebruik je 4 breedtes.
  • De rokken worden met knop en/of haken en ogen aan de tailleband gesloten. Eventueel mag je een verstelbare rek gebruiken in een gedeelte van de tailleband om breedteschommelingen op te vangen. De rokken worden aan de taille spannend gemaakt om wegschuiven tijdens het draaien te vermijden.
  • Stof: wol ( coolwool), katoen of linnen ( uitzonderlijk ook zijde). Let erop dat je lichte en soepele stoffen kiest, anders worden de rokken zwaar en warm. Wollen rokken kreuken minder  vlug dan katoenen of linnen en zijn meestal ook beter kleurvast.
  • Kies twee contrasterende rokken( vb één effen en één gestreept, of één bleek en één donker, of één effen en één bedrukt)
  • Een effen rok mag één of twee rijen gekleurde lint hebben als versiering.
  • Lengte tot op de enkel voor de onderste rok.
  • Sluiting vrij. ( lint, knoop, haak- en oog)

1-4 of 4